Vanuit de Werkgroep Architectuur

“We willen een oplossing ontwikkelen die ook direct toepasbaar is. Daarom starten we met ontwerpen vanuit drie zorgtoepassingen; beeldbeschikbaarheid, labinformatie voor apothekers en perinatologie. Deze geven een goed beeld van de complexiteit en de manier waarop straks de infrastructuur gebruikt zal gaan worden.”, zegt Ursula Letschert.
Ursula Letschert

Ursula Letschert is als (IT-)architect verantwoordelijk voor de voortgang van de werkgroep architectuur van Twiin. Bij de groep zijn diverse partijen betrokken, zoals VZVZ, Nictiz en RSO Nederland, maar ook architecten van ziekenhuizen. Samen ontwerpen zij de architectuur voor Twiin. De werkgroep architectuur gaat hierbij altijd uit van de functionele wensen van de gebruikers, de zorgaanbieders.

Functionele wensen

Letschert: “Bij beeldbeschikbaarheid is een belangrijke wens dat de radioloog in zijn werkomgeving een tijdlijn ziet met relevant beeldvormend onderzoek rondom een patiënt, gemaakt in het behandelend ziekenhuis maar ook in andere zorginstellingen waar de patiënt eerder behandeld is.”

Apothekers hebben behoefte aan inzicht in labuitslagen van patiënten omdat dit invloed kan hebben op de medicatie die zij verstrekken. Een functionele eis waar de werkgroep architectuur vanuit gaat bij de zorgtoepassing labinformatie voor apothekers.

Voor de zorgtoepassing perinatologie loopt het programma BabyConnect. Ursula Letschert: “Bij dit project is een keten van zorgverleners betrokken. Het is van uitermate belang dat al deze partijen de informatie over patiënten kunnen delen.”

De grenzen van een ontwerp

Op de vraag wat de uitdaging is bij het uitwerken van de architectuur voor de zorgtoepassingen, antwoordt Letschert: “We streven naar een landelijk dekkende infrastructuur. Echter, In de dagelijkse praktijk, zoals in ziekenhuizen, wordt er gewerkt met een verscheidenheid aan pakketten, die ook nog eens verschillend zijn ingericht.

De vraag is, in hoeverre gaat Twiin zich hiermee bemoeien? Of laten we het aan de ziekenhuizen over? We kunnen er dan naar kijken, maar hebben er geen invloed op. Dus zijn we op zoek naar een flexibele oplossing, sturend op wat er in ziekenhuizen gebeurt. Kortom, de vraag is: waar trekken we de grens. Wat is aan Twiin, welke eisen stellen we aan het uitwisselen van welke informatie? En wat ligt er buiten Twiin? Hoe dan ook, is er altijd een ‘toegangsdeurtje’; aan welke standaarden bijvoorbeeld moet er voldaan worden?”

Knooppunten

Om een grens te kunnen trekken, maakt het programma Twiin gebruik van het concept ‘knooppunten’. Bij soortgelijke projecten in het buitenland komen knooppunten ook terug in de visie op zorginfrastructuren.

Letschert: “Een knooppunt is een organisatorisch, functioneel en technisch contactpunt voor een zorggaanbieder op Twiin. Het punt waarop de informatie van derden bij Twiin binnenkomt. Het contactpunt is ook de plek die duidelijk de eisen aangeeft voor het delen van informatie.”

Ondanks deze grens is binnen Twiin afgesproken naar de hele keten te kijken. Want afspraken zijn over de hele keten nodig. De afspraken waar de knooppunten aan moeten voldoen, kunnen door knooppunten worden doorvertaald naar de zorgaanbieders aangesloten op een knooppunt. Het naleven van die afspraken, met name de afspraken en de wijze waarop dat georganiseerd is achter een knooppunt, is niet alleen de verantwoordelijkheid van Twiin.

Uiteraard hebben ook leveranciers van zorg en IT te maken met deze knooppunten. Ze kunnen een knooppunt zijn en/of er informatie voor aanleveren. Maar ook zorgaanbieders zelf kunnen een knooppunt worden. Inmiddels zijn er een tweetal sessies met leveranciers geweest om van gedachte te wisselen. Niet alleen over de knooppunten, maar over het gehele programma Twiin. “Belangrijk, want we willen iets ontwerpen, dat in de praktijk haalbaar is”, aldus Ursula Letschert.

tablet

Vier oplossingsrichtingen

De werkgroep architectuur heeft momenteel vier oplossingsrichtingen (A,B,C en D), modellen hoe Twiin zou kunnen werken. Ze zijn verschillend van elkaar, maar kunnen tegelijkertijd ook naast elkaar werken. Voor beeldbeschikbaarheid bijvoorbeeld zou oplossingsrichting A geschikt kunnen zijn. Voor perinatologie oplossingsrichting B. Ook kunnen de oplossingsmiddelen naast elkaar werken, of is zelfs een groeipad mogelijk. Dan begint een zorgtoepassing met bijvoorbeeld oplossingsrichting A om te eindigen bij oplossingsrichting B.

Ursula Letschert verduidelijkt: “Bij oplossingsrichting A blijft er veel informatie decentraal staan, zoals bij een instelling of leverancier. In oplossingsrichting B is er daarentegen iets meer centraal geregeld, informatie die direct via Twiin gaat. Oftewel, de oplossingsrichtingen gaan van decentraal naar optimaal gemeenschappelijk. Voor de eerder genoemde zorgtoepassingen gaan we binnenkort benoemen welke oplossingsrichtingen van toepassing zal zijn. Hou onze nieuwsbrieven hiervoor in de gaten!”

Proef op de som

In de praktijk beproeven we wat wel en niet werkt. Dit doen we met PROVES Twiin. Hierbij wordt de gehele keten beoordeeld, samen met zorgverleners, zorgaanbieders, leveranciers en beoogde knooppunten. Lees meer over PROVES Twiin.